Media, Religie en Cultuur

Religie is nooit weg geweest.

Willem Frederik Hermans en de angst voor katholieke overheersing

Willem Frederik Hermans, zijn tijd, zijn werk, zijn leven - Hans van Straten

Biografie W.F. Hermans door Hans van Straten

De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen.’ Aldus romanpersonage Lodewijk Stegman in de in 1951 verschenen roman ‘Ik heb altijd gelijk’ van Willem Frederik Hermans.

Reeds bij voorpublicatie van het eerste hoofdstuk in het literaire tijdschrift Podium tuimelt de pers over Hermans heen. De katholieke Volkskrant spreekt van ‘smeerlapperij’ waarmee ‘een hele bevolkingsgroep wordt beledigd’. Het eveneens katholieke dagblad de Tijd erkent dat niet de schrijver zelf aan het woord is in de ‘hoogst onwelriekende passages welke in vunzige woorden en verbeeldingen de katholieken, en godsdienst en moraal op de grofste wijze honen’, maar wijst er op dat dit alles toch voortkomt uit het ‘brein’ van de auteur.

De gewraakte passages leiden tot vervolging op grond van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht waarin het opzettelijk in beledigende vorm uitlaten van een bevolkingsgroep als strafbaar wordt beschouwd. Een artikel dat overigens in 1934 aan het wetboek werd toegevoegd om joden te beschermen tegen beledigingen door fascisten en nationaal-socialisten.

Hermans wordt vrijgesproken. De uitspraken zijn tenslotte niet van Hermans, maar van zijn fictieve romanpersonage Lodewijk Stegman.

Katholiek gezin 1949 © Van Leeuwen

Katholiek gezin 1949 ©Van Leeuwen

Een interessante kwestie, want in hoeverre zijn fictie en werkelijkheid met elkaar verweven? Het is bekend dat Hermans destijds niet veel op had met het rooms-katholicisme. Bij delen van de bevolking was er bovendien wel degelijk sprake van angst voor katholieke overheersing. In 1948 had de Katholieke Volkspartij (KVP), met de steun van bijna een derde van het electoraat,  32 van de toen 100 kamerzetels verkregen. Katholieke gezinnen waren gemiddeld groter dan niet-katholieke. Het krijgen van kinderen werd gestimuleerd door de katholieke kerk. De kinderbijslagregeling, overigens gesteund door de Partij van de Arbeid, maakte het hebben van een groot gezin ook voor de minder bedeelden mogelijk. Als dit zo doorging zou het tegen het eind van de 20e eeuw tot een absolute katholieke meerderheid leiden.

Deze vrees is inmiddels door de geschiedenis ingehaald. Het ‘Mandement der bisschoppen’ uit 1954 dat lidmaatschap van niet-katholieke verenigingen en het lezen van niet-katholieke kranten verbood deed velen de kerk verlaten. Daarnaast werd kerkelijke gehoorzaamheid minder vanzelfsprekend en zo werd het verbod op geboortebeperkende maatregelen ook door veel katholieken genegeerd. Versoepeling van de kerkelijke regels kon het tij niet keren, het rooms-katholicisme nam in populariteit af en het gemiddelde katholieke gezin werd kleiner.

Maar ook al is fictie is gebaseerd op ware feiten en gebeurtenissen, binnen fictie mag herkenbaarheid niet verward worden met de werkelijkheid. Een fictieschrijver kan zijn karakters vrijelijk vormgeven en feiten aanpassen ten dienste van het verhaal. Wie dat de auteur verwijt trekt uiteindelijk aan het kortste eind. Zo maakte Harry Mulish de fout op historische onjuistheden te wijzen in zijn bespreking van  Hermans’ novelle ‘Het behouden huis’. Hermans nam hem dit zeer kwalijk. Toen Mulisch daags na verschijning van de recensie café Reynders binnenstapte, werd hij door Hermans begroet met de woorden:  ‘Mulisch….! Donder op…..!’

Anneke Klein

Bronnen:

Ik heb altijd gelijk – Willem Frederik Hermans
Hermans, zijn tijd, zijn werk, zijn leven – Hans van Straten

Leave a Response